Home » meanderings

Category Archives: meanderings

uno strumento molto particolare

Conoscete Mario Tobino?
Non è un musicista. Più meno un compositore.
E uno scrittore.
Sa come raccontare una storia.
Ha scritto un romanzo: PER LE ANTICHE SCALE
Racconta delle cose che succedono dentro la cerchia delle mura, un vecchio castello trasformato in un istituto psichiatrico.
Sono storie su “i condomini” di un manicomio.
Parla il dottor Anselmo.
Uno di queste storie racconta di uno strumento molto particolare.
Una storia che ho voglia di raccontare.

lo strumento dalla voce umana

Un dopopranzo scendeva Anselmo le antiche scale quando da un lungo corridoio – che aveva sul fianco una fuga di porte – gli arrivò un suono umano, una musica, non di violino, né di pianoforte o chitarra, ma di uno strumento della musica moderna, del jazz, gli arrivò l’umana voce del sassofono, quello speciale clarinetto argentato a forma di molle snodo di serpente.
Si avvicinò cautamente a dove proveniva quel suono.

Seduto sull’unica sedia di una stanzetta, le pareti nude, un malato stava soffiando sullo strumento.
Aveva la barba, il volto magro, scarniti negli zigomi. Chissà perché si ricordò Anselmo quel personaggio di Stendhal, il poeta Ferrante Palla che fugge per gli intricati boschi.

Quell’uomo sparuto continuava a trarre suoni dallo strumento. Era come invitasse a un tu per tu, sciogliesse ogni sua confidenza, si confessasse, come dicesse: “Questa voce tesa, questo lungo acuto, è per far intendere l’ira che ebbi un giorno mentre ero innamorato di una mia ragazza bionda. Ed ora, con questa lenta modulazione, muovendo in piccolo onda il sassofono, mi chiedo se ero corrisposto. Adesso sto mimando la civetteria femminile, quanto affascinante.”

Aveva il Meschi, quel malato che soffiava nell’argentato sassofono, dei movimenti con la testa e il tronco che richiamavano i delfini quando si alzano bambinescamente dalle onde oppure veniva in mente un dolce poeta ebbro.
La barba era riccioluta con dei riflessi di rame. Le membra dovevano essere armoniosi, agili.

Quello però che davvero affascinava il dottore in ascolto, lo psichiatra Anselmo, era la lucidità della musica, un vero discorso, un eloquio proveniente dal senno e che per i più toccava il cuore; una musica che arrivava a spiegare le sfumature, il passaggio di sottili sentimenti, una bandiera di seta al sole, un damasco esposto al tramonto.

“Che stia spiegando il suo segreto? La storia della sua anima?” si domandò Anselmo. “Che ora stia aggiungendo, con piangente eloquenza: Perché, perché non mi capite?”

Non ho un esempio del sassofono nella mia collezione di musica.
Ma, un post senza musica non è un post …

… sapete, che possiamo fare?
Ho pensato al violoncello.

Qui c’è un pezzo a solo del violoncello.
Ascoltate una volta, solo una volta.
Non memorizzare.
Lasciatevi ispirare per sentire quel suono, che proviene da quella stanzetta nel manicomio, quella voce umana che non è umana … ma che è, più che altre voci, molto umana.

senti quella musica per violoncello solo

Perché, perché non mi capite?.

Advertenties

kunstpaus

Is Reinbert de Leeuw eigenlijk wel van betekenis geweest voor de uitvoeringspraktijk van moderne muziek in NL.

Typisch leonardo om zo’n dwarse vraag te stellen.
Maar leest U nog even mee. Het komt echt goed.

Ik kom daarop omdat ik een leuk speeltje heb: een heel speciaal boekje met sudoku’s en een heel speciaal boekje met schaakproblemen: het archief van NRC, de zaterdagkrant. Dat struin ik door voor een plezierig tijdverdrijf: de oplossing vinden – sudoku’s – of proberen te vinden -de winnende zet in partijstellingen. Bij dat doorstruinen kom ik ook oud nieuws tegen, zomeravondgesprekken, interviews. Op zich een leuke, en vooral relativerende bezigheid: vaak was er opwindend nieuws, zelden beklijfde het.
En zo botste ik een paar keer op het artikel lunchen met Reinbert de Leeuw.

De NRC lunchte met hem bij gelegenheid van wat NRC in 2013 de Reinbert-maand noemde: hij werd 75, kreeg drie grote prijzen, en er vielen hem nog meer onderscheidende ervaringen ten deel. Waaronder een biografie, door hem zelf overigens verfoeid. Kortom, een lunch en een daaruit voortkomend artikel met een positieve toonzetting.
Terecht?

Laat ik deze “onzinvragen” direct beantwoorden met een positieve geste. Ook ik heb cd’s van deze grote musicus in mijn verzameling. Hier is een stukje van Quator pour la fin du temps van Olivier Messiaen.

luister naar Vocalise, pour l’Ange qui annonce la fin du temps, met De Leeuw aan de vleugel

Vanwaar dan mijn “vragen naar de bekende weg”?
Hij zette het Schönberg ensemble op poten, dat na een fusie nog steeds “zijn” Asko|Schönberg ensemble is, waarmee hij veel moderne muziek aan de wereld laat horen. “Levende componisten die hij kan vragen hoe ze willen dat het klinkt.” En ook in ander verband voert hij veel moderne muziek uit.
Maar hoe staat het met de appreciatie, hoe is de receptie er van?
Daar zit het probleem. Wat deze kunstpaus ook gedaan heeft, het geloof waarin hij zelf sterk staat heeft hij niet verbreid. Natuurlijk, een handjevol loopt achter hem aan. Je zou ook kunnen zeggen: hij heeft een subcultuurtje gecreëerd.

Martin van Amerongen schrijft een boekje over de Mattheus of het Requiem of de Ring, hij hoeft de namen van de componisten niet eens te noemen, maar een paar dagen later zijn cd’s weer als warme broodjes over de toonbank gegaan.
Maarten ’t Hart of Paul Witteman publiceren iets over Schubert, of andere namen die we allemaal kunnen dromen, en hup, daar gaan de verkoopcijfers.
En het probleem is: ze blijven over Buxtehude of Mozart of Strauss of Wagner schrijven. Marleen schrijft op dit blog over Vivaldi, en een ster aan het firmament van de barokvernieuwers, il giardino armonico, alsof daar nog nooit iets over geschreven is.

Reinbert de Leeuw voert een werk uit van Galina Ustvolskaya en een paar dagen later kunnen hooguit enkele mensen haar naam nog uitspreken zonder dat ze daarbij na moeten denken.

Onze Reinbert heeft het helemaal verkeerd aangepakt. Zo blijft de westerse muziek gedomineerd door componisten die heel lang dood moeten zijn om te mogen domineren.
Dus zo onzinnig zijn mijn vragen niet.
En ik heb ze hier en nu – niet zo onzinnig – zelf beantwoord.

Onze Reinbert had het heel anders aan moeten pakken.

Hij moet, samen met zijn vriend Louis Andriesen, Maarten ’t Hart, Marleen, Martin van Amerongen en Paul Witteman bij hem thuis aan de keukentafel uitnodigen.
Sorry, Martin niet, die is inmiddels gaan hemelen. Die moet in het hiernamaals bijgepraat worden.
En dat doen ze niet om te doceren. Niet om om te turnen.
Nee, ze vragen ’t Hart: Maarten, vertel ons nou eens, wat is er zo speciaal, zo uitmuntend, aan Bach.
En Maarten gaat praten, dat doet ie graag. Terwijl hij praat luisteren Reinbert en Louis aandachtig, knikken zo nu en dan instemmend. Af en toe stellen ze een vraagje, dat Maarten niet lijkt te horen.
Maarten heeft zo lang gepraat dat Reinbert op enig moment zegt: zo, dat was het voor vandaag. Paul protesteert, Marleen kijkt sip: wij zouden toch ook … Komt, stelt Louis hen gerust, de volgende sessie. Wat zullen we zeggen: volgende week, zelfde plaats, zelfde tijd.

En zo mag Paul de volgende week zijn verhaal doen, over een geliefde componist. En ook hij weet wat praten is, dus dat gaat maar door.
Maar let op Maarten: die vraagjes van de vorige sessie zijn toch in goede aarde gevallen – Reinbert en Louis weten wel wat ze doen – en nu gaat ie zelf kritische opmerkingen maken tegen Paul.
Dat zeg je nou wel zo, Paul, maar …
Reinbert en Louis laten niks merken. Af en toe stellen ze ook een vraagje aan Paul.

De volgende sessie idem dito met Marleen. Die mag in geuren en kleuren uitweiden over haar Sigiswald, il giardino armonica en de muziek van Tartini.
Ze heeft het nog zwaarder dan Paul. Want niet alleen Maarten is kritischer geworden, maar ook Paul stelt nu vervelende vraagjes.
Wat is eigenlijk het nut Marleen, van al dat specialiseren en afstoffen.
Reinbert en Louis hoeven bijna geen duwtje meer te geven.

Zullen we eens luisteren naar een stukje wat we wel modern mogen noemen, stellen ze voor. En ze hebben niet het minst moderne, het meest toegankelijke voorgeschoteld.

hier kunt U het derde deel van de Sinfonia van Luciano Berio horen.
Berio gebruikt het Scherzo van Mahler’s Tweede Symfonie
In ruhig fließender Bewegung
om een rivier in een steeds veranderend landschap te schilderen:
een stroom van citaten van dode (beroemde) en levende (moderne) componisten

[
De vraag is natuurlijk, evenals bij klassiek en pop: bestaat er wel moderne muziek?
Wat Willem Breuker zei blijft ook hier waar: er is goeie en er is slechte muziek.
Ik moest uiteraard de naam van de componist noemen, zodat U zelf na kon gaan wanneer die geboren is: 1925.
Is het daarom moderne muziek? Heeft de man niet gewoon zijn vak op kundige wijze beoefend en dàt geschapen wat ie wilde scheppen: muziek?
Ik had hier ook Arvo Pärt kunnen laten horen. Maar dat is met straatlengte de meest uitgevoerde nog levende componist – mag je die dan nog modern noemen?
]

Nou ja, de drie waren onder de indruk.
Kunnen jullie nu aangeven wat je hierin wel of juist niet hoort, wat je bij Bach, of een andere beroemde componist, niet of juist wel hoort, vroeg Reinbert met zijn minst strenge gezicht.
Het is een beetje moeilijke vraag voor Maarten, Marleen en Paul. Ze komen er niet uit.

En nog een paar van die sessies, en ze zijn ongemerkt helemaal omgeturnd. Ze willen niet meer horen van barokspecialisten en Mozart sonates en Mahler symfonieën. Ze willen alleen nog maar praten over meelopende geluidsbanden van opstijgende vliegtuigen en kettingzagen … en vooral over Henri Brant en Kaija Saariaho en Gérard Grisey.

Zo had het kunnen gaan.
Helaas, zo is het niet gegaan. Reinbert heeft geen dwarsliggers bij hem thuis aan de keukentafel uitgenodigd. En dus is het getrompetter over Bach en Mozart en Wagner gebleven. En hun muziek wordt afgestoft, vernieuwd of versprankeld.
Veelvuldig. Door veel specialisten.
Denk daarbij aan barokspecialisten die ook de 19de eeuw nog eens dunnetjes over willen doen.

Wie nieuwere muziek wil horen moet de plaats kennen.
En de ure.

engelkens door het luchtruim zwevend

Ik moet het als heel klein ukkie, nog haast een baby, gehoord hebben. Een lied dat verhaalde van engelen, zwevend door het luchtzwerk, die zongen dat er een kindje geboren was. Terwijl ik in mijn wieg lag. Mijn oudste broer zal op het orgel gespeeld hebben. Mijn ouders en broers en zusjes zullen het gezongen hebben.
Gloria in excelsis Deo.

Muziek en kosmos.
Harmonie der sferen.

Het is een onderwerp dat in de vroege tijden vaak terugkomt, niet alleen wanneer de muziek religieus of filosofisch benaderd wordt: de muziek op aarde is een nabootsing van de muziek van de planeten, het geluid dat door de planeten veroorzaakt wordt – de tonen worden ook vernoemd naar de planeten.
Zeven zijn dat er dan, inclusief maan en zon.

Kan daarin de basis gelegen zijn van ons zeventoons systeem?

Onze eigen Joan Albert Ban (16de eeuw) zag in muziek een zielroerende kracht … wat een ziel veronderstelt, iets dat zich buiten het lichaam aan onze waarneming onttrekt. Vermoedelijk leunde hij daarbij op Plato die de Wereldziel, wel of niet aan waarneming onttrokken, in harmonische intervallen verdeelde.

Maar, hoe ouder ik ook werd, muziek uit de hemel heb ik nooit gehoord. Jawel, er zal door de zieltjes in het hiernamaals druk gehallelujaad worden. Maar, hoe vaak ik inmiddels ook Kerst heb gevierd, ik heb nog nooit een engeltje zien vliegen, laat staan zingen.

Je kunt aan de big bang denken. Zoiets als de gongman van the Rank Organisation. De man die onze aandacht vraagt, aan het begin van onze eigen film, het verhaal van de opkomst van de mensheid.
Maar ik geloof niet zo in de big bang. Als fenomeen acht ik het mogelijk … maar als oerzaak?
Ik zie het uitdijen van het heelal als een gevolg op een inkrimpen, als een gevolg op een uitdijen, als een gevolg … Denk aan een trekharmonica, waarop dit liedje wordt gespeeld.

mj_arnemuiden_txt

We bevinden ons nu, afhankelijk van de techniek van de kosmische bespeler, in het tijdperk van de òòòòòòòòò van klok, of de uuuuuuuiiiiiii van Arnemuiden, als een minuscuul bewonertje van een minuscuul elementje van een minuscuul stofje, ergens aan de periferie van de blaasbalg van deze enorme accordeon, die voor ons een universum is.
Het uitdijen en ineenschrompelen van ons universum, begeleid door volksliedjes … ook wel een idee.

Nikomachos heeft de notie van klinkende planeten voor ons bewaard in een geschrift. Anderen hebben het overgeleverd, er op voortgeborduurd, of er eigen inzichten aan toegevoegd, zoals de betekenis van de dierenriem voor ons toonsysteem.

Er zullen er niet veel meer zijn, denk ik, die nog geloven dat wij de muziek uit de hemel hebben gekregen. Maar toch, waar komt de muziek dan vandaan?
Twijfel knaagt. Wat was de smid geweest zonder Prometheus. Aan wie zal de grote toonsmid Bach, namens alle toonsmeden, schatplichtig zijn.

Waarom hebben wij een zeventoons-systeem? (Er zijn andere systemen. En waarom zegt een artikel in Wiki: een pentatonische toonladder bestaat uit vijf tonen […] waarbij twee tonen binnen het octaaf zijn verzwegen.) [accent LdG]
Waarom heeft een octaaf op een klavier acht witte en vijf zwarte toetsen. (Er zijn andere voorstellen gedaan – en gerealiseerd!)
Waarom zijn er nog dissonanten (als er al even zo vele dissonanten zijn afgeschaft) en oorlog voeren zo verheerlijkt wordt en geheroïseerd is dat je historisch gesproken eigenlijk niet echt meer van dissonantie als bewustmaker mag spreken?

Nu Leonardo gepensioneerd is, heeft ie tijd zat om terug te keren naar zijn geboortedorp … waar hij nog geen Leonardo heette, laat staan Leonardino, maar waar hij als klein jongetje wel achter de muziek aan liep, zonder weet van toonsystemen of pythagoreïsche komma, of van de wolfskwint – of het moest zijn omdat die kwistig en lustig rondgestrooid werden door langstrekkende petite bandes … tijd zat dus om uit te zoeken waar de muziek vandaan komt.

En over de lange weg, die vanuit het niets naar het dorp komt, en vanuit het dorp naar een volgend niets gaat, komt de fanfare aangemarcheerd.
En daar gaat de kleine Leonardino …

…. met de muziek mee.
De blazers uithoren over waar ze vandaan komen, en waar ze heen gaan – volgens mij is dat dé manier om iets uit te vinden over de oorsprong van de muziek, en over waar het heen zal gaan.

 

de piano van je grootmoeder *)

Wat hoort U liever, de aria van Joplin Oh Lord, will you buy me a Mercedes Benz, door Janis Joplin zelf a cappella gezongen, of Bach’s niet uit het staande repertoire weg te denken schlager Erbarme dich, waarvan we rond iedere Pasen moeten horen dat dat de mooiste aria is ooit gecomponeerd, en die door honderden op plaat/cd is gezet.
Overigens, ook the song van Joplin kun je terugvinden in de discografie van niet de minste uitvoerende kunstenaars, vaak met instrumentale ondersteuning.

Ik herinner mij Maarten ’t Hart, op een zondagmorgen op bezoek bij Han Reiziger, het VPRO programma Reiziger in muziek. ’t Hart ging achter de piano zitten en speelde psalm 43. Op hele noten, terwijl Lieuwe Visser, de bas, een strofe van die psalm zong.
Zwartekousenkerkmuziek.
Of, gewoon, muziek?

Willem Breuker had wellicht antwoord kunnen geven. Maar Willem Breuker is dood. Hij heeft ons wel de wijsheid nagelaten dat er geen klassieke en andere muziek is, alleen goede en slechte, maar heeft verzuimd aan te geven wat dan het kenmerk is waaraan goede muziek herkend kan worden.
Breuker heeft wel de daad bij het woord gevoegd door de Prelude in c minor van Rachmaninoff, ook zo’n klassieke tophit, voor zijn eigen Willem Breuker Kollektief te bewerken en aan het repertoire toe te voegen.

Over smaak valt niet te twisten. Maar ik zou best een boom op willen zetten over wat er nu echt mooi is aan de Mattheus. Ik heb wel mensen op bezoek gehad die zeiden dat ze de Mattheus schitterend … prachtig prachtig prachtig … vonden. Ik vroeg dan: zal ik hem opzetten (er is geen mens die niet weet wat met de Mattheus bedoeld wordt) . En nadat ik dat gedaan had, hoorde ik: is dat de Mattheus? Dat bedoel ik niet. Als ik dan achter de piano ging zitten en de eerste maten van O Haupt voll Blut und Wunden speelde kreeg ik dezelfde reactie als Salieri van die priester in Amadeus (the movie): yes I know that, that’s charming.

Karel van het Reve meende dat de schoonheid – ik denk dat hij bedoelde: de appreciatie – van een muziekstuk gelegen was in een enkel mooi akkoord, dat prachtig aansloot bij de samenklank die er onmiddellijk aan voorafging, en spannende verwachtingen opriep voor dat wat er onmiddellijk op volgde.

Ik wil daar wel een beetje bij aanhaken, en hier een lans breken voor de idee dat het met muziek is als met een passend gebaar, een juist woord op het juiste moment gevonden, waar je als mens een goed gevoel van krijgt. Een herinnering die opgeroepen wordt, een reminiscentie die deugd doet, en die dan als herinnering van de herinnering een eigen leven gaat leiden.

Ik woonde de begrafenis van een te vroeg overleden collega bij. Hij was lid van de harmonie of fanfare in zijn dorp. Op enig moment zetten, tijdens de rouwdienst, vier blazers achterin de kerk de melodie Herzliebster Jesu, was hast du verbrochen in. En ik zat weer, als klein jongetje op de stoep voor ons huis. In de Voorstraat van ons dorp speelde de christelijke fanfare Soli Deo Gloria een koraal.
Ik kon ze niet zien. Tussen mijn ouderlijk huis en de muziektent in de Voorstraat stond een grote kerk (“grote” kerk, voor een klein jongetje). Maar de klanken van die fanfare kwamen over die grote kerk aanwaaien. Prachtig.
Die herinnering aan het moment van herinnering geeft de muziek weer iets extra’s.

Haal ik die herinneringen dan op?
Luister ik naar het soort muziek dat die herinneringen oproept?
Ik zal U maar eerlijk bekennen: ik ben van de tijd van The Beatles … en ik heb niks met The Beatles. Ik heb eigenlijk niks met popmuziek.
Ik ben opgegroeid met het orgel. Onder één dak met kerkorganisten. Vooral: onder het kerkorgel.
Uiteraard Bach. Caesar Franck. Maar bovenal: psalmen en Eenige gezangen.
En, ik zou nu kunnen zeggen: ik kan er niks aan doen – maar ik wil er ook helemaal niks aan doen … die psalmen en gezangen vormen een deel van mijn muzikale geheugen.

Zo heb ik hier, tussen al mijn platen en cd’s … alleen goede muziek natuurlijk, geen popmuziek, ha ha … nou ja, een beetje jazz en ook nog wel fado’s, ook religieueze (geen geestelijke!) muziek, van Messiaen en Liszt – oh nee, dat hoort bij de goede muziek, want uitgevoerd door Reinbert de Leeuw, daar kan niks mis mee wezen … nou goed, ik heb hier de cd O God, thou art my God – subtitel: Psalms and Psalm settings in the Anglican tradition. [Voordat U van schrik wegloopt: degelijke componisten, te goeder naam en faam bekend, zoals William Byrd, Henry Purcell, en Thomas Attwood – leerling van Mozart! – hebben hiervoor getekend. Wacht, ik zal U een compositie laten horen van Ralph Vaughan Williams: Lord, Thou hast been our refuge.]


St. John’s College Choir zingt hier in een Hollandse kerk, de Allemanskerk in Oudkarspel

Wie bekend is met onze joods-christelijke worteltjes zal als een van de melodielijnen O God die droeg ons voorgeslacht herkend hebben, in het land van de componist bekend als St. Anne hymn.

Wie bekend is met het orgelwerk van Bach zal onmiddellijk het thema van de fuga bwv 552,2 herkend hebben, vroeger ook wel bekend als St. Anne Fugue.

Volgens de huidige, heersende opvatting is het puur toeval dat het thema van Bach en het begin van the St. Anne hymn gelijk zijn. Bach zou die Engelse melodie, van William Croft, niet gekend hebben.
Ik waag dat te betwijfelen. De melodie stamt uit 1708. Handel heeft Croft’s melodie gebruikt in één van zijn anthems. We schrijven dan 1718. Bach heeft z’n leven lang Handel willen ontmoeten, en heeft daartoe ook een paar pogingen ondernomen. Bach lette op. In de woorden van Christoph Wolff: … he set himself on a course distinct from that of peers like Telemann and Handel – but without ever losing interest in what they were doing.
Om de naam St. Anne Fugue in ere te herstellen hier bwv 552,2: een fuga van Johan Sebastiaan Bach in Es dur, op een anthem van George Frederic Handel, die dat op zijn beurt weer geleend heeft van William Croft.


deze opname is van Ton Koopman

Jammer dat Breuker niet de tijd heeft gekregen om daar een bewerking van te maken voor zijn Kollektief; had ik graag meegemaakt.

Mooie cd met mooie muziek, die van St. John’s Choir bedoel ik. Een cd die mij niet liever is, maar ook niet minder lief dan de cd Sensemayá van het Willem Breuker Kollektief.
De recensent vond het maar niks, en sneerde aan het eind van zijn bespreking: Nou ja, menig gelovige zal na het beluisteren van deze CD zeer gesticht zijn.
Ik waag het er op om U toch nog iets te laten horen van die cd. Iets dat ik mooi vind. Het is van de hierboven genoemde Attwood.


Turn thy face from my sins, nogmaals St. John’s College Choir, opnieuw in de Allemanskerk

Wie de gedachte niet kan verdragen dat ie naar psalmmuziek luistert, moet maar denken dat hij luistert naar zoiets als Laudate Dominus Omnes Gentes, kv 339, dus van de leermeester zelf, Mozart. Ook een psalm die getoonzet is, #117, maar dat zeggen de booklets er niet altijd bij.
Ik heb daarvan een wonderbaarlijk mooie uitvoering door Cecilia Bartoli. En ik moet nog meemaken dat een recensent zijn bespreking daarvan zou eindigen met een opmerking over gelovigen en gesticht worden.

*) de titel van deze post is ontleend aan een uitspraak van een Engelse musicus, nu lang geleden, die meende dat voor de ontwikkeling van iemands muzikale gevoel the tuning of Granny’s piano is of enormous importance

jeetje

MjUSICAMANTI dus.

Het was eerst musicamanti, een duidelijke samentrekking van musica en amanti: amanti della musica. Maar, musicamanti staat zo braaf, zo keurig net. Vandaar dat jeetje, speels er tussenuit springend.

Waarom een j?

Wel iedereen denkt bij musica onmiddellijk aan Italia. Of aan Mitteleuropa en Musik. En de componisten met een B.
Bach, Bergolesi, Beethoven.
Bmahler.
Niet die molenaar. Dat is Burgmüller, bemaler van città en befestigte Burgen – schreef ook 25 Études faciles et progressives (op.100 … dus schreef nog veel meer).

Wij spreken van Mahleriaanse muziek. Maar er was in diezelfde tijd een veelbelovend componist wiens naam met een R begint: Hans Rott. Veel te vroeg doodgegaan – heeft de 26 jaren net niet gehaald. Vanwege die R?
Als die was blijven leven hadden we nu van Rottiaanse wendingen gesproken. Mahler zelf zei van hem Was die Musik an ihm verloren hat, ist gar nicht zu ermessen. Alleen daarom al, zijn noodlot dat ons noodlottig werd, een reden om hem te noemen.

luister naar wat nooit het etiket “Rottiaans” heeft mogen krijgen

Natuurlijk, we hebben, richting het Oosten, ook nog weet van Tchaikovsky … zou eigenlijk Bchaikovsky moeten heten.
Of Bhostakovich.
(Ongewild gaan mijn gedachten nu naar die collega die thuis de 5 (sic) orkestsuites van Bach op cd had – prachtige muziek Leonardo – en mij bij hoog en bij laag bezwoer dat het een gebrek aan mijn opvoeding was dat ik er maar 4 kende, maar dat hij ze echt alle vijf in zijn platenverzameling had.)

Nou ja, Mozart is met een M – dat is zo’n icoon van de westerse muziekgeschiedenis, daar durf zelfs ik geen woordspeling op te maken.

Hoeveel Mitteleuropäische oortjes zullen de eerste maten van genoemde symfonie van Rott gehoord hebben.
Iedereen kent wel de eerste maten van Beethoven. Onder kamerbewoners in Amsterdam was dat het deuntje om iemand van zijn zolderkamer naar beneden te fluiten. Want als je aanbelde liep je kans dat een “overbezorgde” hospita wilde weten wat je ging doen. Het is zelfs het herkenningsfluitje voor mijn lieve Bianc’orsa. Alleen, het gaat dan niet zo

bfs_1

maar zo

bfs_2

Ik had natuurlijk moeten zeggen: de eerste maten van Beethoven’s vijfde.
Beh … nog niet correct, er moet “symfonie” bij. Maar vraag iemand naar de eerste maten van Beethoven, en grote kans dat je niet zijn eerste jeugdwerk hoort, maar pom pom pom POOOOM.

Ik noemde Bergolesi hierboven, om zo naar de overkant van de plas die Noordzee heet te kunnen springen. Daar wonen ook componisten.
Handel – geen B maar wel zonder umlaut, en hij komt gelukkig uit Mitteleuropa.
Britten – wel een B – zul je niet gauw horen noemen.

De Engelsen zijn precies hetzelfde, die denken dat een beetje componist aan Engeland behoort.
Ik had vroeger de Grove’s concise music encyclopaedia in huis. The prince consort Albert wordt daarin wel als componist genoemd – heeft ooit een liedje voor echtgenote Victoria geschreven – maar toen ik op zoek ging naar wat “obscuurdere” componisten NL kwam ik van een koude kermis thuis. Van Matthijs Vermeulen hadden ze nooit gehoord, en zelfs nu staat in de online dictionary of music, door Oxford onder haar hoede genomen, wel een uitgebreid artikel over Albert, maar onze Unico Wilhelm van Wassenaer wordt niet genoemd. En die is er door sommige kenners nog even op aangezien dat hij het meest bekende Stabat Mater aller tijden heeft geschreven, en niet Pergolesi.

Aan de overkant van die nog grotere vijver, de Atlantische Oceaan, wonen uiteraard geen componisten.
Nou ja, Bernstein dan, die kennen we van de West Side Story. Al is het niet ondenkbaar dat er een Engelsman rondloopt die denkt dat Shakespeare niet alleen de pater spiritualis hiervan was, maar ook de muziek gecomponeerd heeft.
Misschien dat de naam van John Cage zal vallen.
Hoeveel mensen zullen Aaron Copland kennen? Daarom hier eerst een mooie song van hem, voor een gedicht van Emily Dickinson.


because I could not stop for Death – he kindly stopped for me

Vandaar die J.
Het gaat niet alleen over musica, of over Musik, maar ook over music – daar mag geen misverstand over bestaan.
Had dus eigenlijk moeten zijn mJusicamanti.

Maar, de j moet er speels uitspringen.
Want muziek moet gespeeld worden.
Met muziek moet je kunnen spelen.

Er is een loodzwaar motto: per aspera ad astra. Is door Adorno aan de vijfde van Mahler vastgeknoopt. Inderdaad, loodzware muziek die begint met een treurmars, maar eindigt met een feestelijke fanfare.
Ons motto moet zijn: per musica ad homo ludens. Door de muziek de spelende mens hervinden.

Er is dat praeludium van Bach, nr. 15 uit das wohltemperierte Klavier II. Teil. G grote terts. Mag ik graag spelen. En ik volg dan trouw de partituur.
Volgde moet ik zeggen.
Ik leerde de sonate voor cello en piano nr. 2 van Mendelssohn kennen. Opus 58. Het derde deel daarvan is een adagio, dat begint met een koraalmelodie, omspeeld door arpeggio’s, door de piano. De daarna inzettende cello komt er niet op terug.
Sindsdien is dat praeludium van Bach voor mij veranderd. Ik speel het eerst helemaal, met het eerste deel herhaald (als voorgeschreven). Dan pak ik aan het slot de draad van het adagio van Mendelssohn op, als cadens: ik speel de melodie als Bach-koraal, het slotakkoord van iedere regel als  arpeggio esteso. Aan het eind van het koraal keer ik – keurig met triller, zoals een cadens afgesloten hoort te worden – terug naar maat 37 van het praeludium.
Ik weet nu niet meer beter.

Toen ik de uitvoering van Ivo Janssen van het wohltemperierte Klavier gekocht had, ben ik onmiddellijk naar dat praeludium gegaan en luisterde gespannen of hij Mendelssohn niet vergeten was.
Helaas, Ivo kan prachtig spelen.
Maar hij wou niet meespelen.

dan zal ik het adagio nu maar laten horen

Voor de hier vergaderde MjUSICAMANTI

de pad of de uil

Naar aanleiding van Leonardo’s eerste blogbericht, dat tevens het eerste bericht op deze blog was, dacht ik aan het werk van Ton Bruynèl. Leonardo schreef over wat geluiden en lawaai waren en wat als muziek beschouwd zou moeten worden. Hij noemde de fluitende vogels van Messiaen  en refereerde onder andere aan het werk van Russolo, l’Arte dei Rumori. Volgens Russolo, die dit manifest in 1909 aan een vriend schreef, zouden toekomstige componisten aan de slag moeten met de combinatie geluid en lawaai. Hij baseerde dit idee op het feit dat de mens, vooral in de steden, steeds meer blootstond aan lawaai onder andere door de opkomst van de auto en andere machines. In de nieuwe muziek zouden de componisten een oneindigheid aan timbres moeten zien te reproduceren. Hij dacht daarbij aan de bouw van nieuwe instrumenten die alle lawaai en geluiden konden laten klinken en aan de organisatie van deze instrumenten in een orkest.

Dat de verschillende geluiden en timbres ook zo overvloedig geproduceerd zouden kunnen worden door elektronische instrumenten had Russolo wellicht niet voorzien.

Ton Bruynèl, componist van Nederlandse bodem, maakte dankbaar gebruik van de mogelijkheid elektronische geluiden en lawaai te registreren. Hij maakte daar dan een tape of soundtrack van en schreef er muziek bij voor traditionele instrumenten. Het resultaat is werkelijk verbluffend.

Op de open dag aan het Utrechts Conservatorium kregen alle fluitisten van Ton Bruynèl zijn werk Serène mee. Dat bestond uit een LP met de geregistreerde geluiden en een partituur met de muziek voor fluit. Ik heb deze enorme map nog steeds.

Het stuk Serène begint met de roep van een dwergooruiltje dat hij registreerde in de Languedoc. Nu kwam ik de zomer, na de ontmoeting in Utrecht, Ton Bruynèl tegen in de Dordogne. Ik heb hem nog geprobeerd te laten weten dat ik hem kende, maar ik kreeg de indruk dat hij liever niet herkend werd.

Hier is het meesterwerk van Ton Bruynels Serène te beluisteren. De fluitist Jorge Caryevschi doet dit werkelijk erg mooi.

Buon ascolto!

 

Nu hoorde ik enige tijd geleden van een bevriend musicus en natuurkenner, dat het in dit stuk niet zou gaan om de roep van een dwergooruiltje maar om het geluid gemaakt door een pad, de vroedmeesterpad. Nu lijkt mij het geluid van deze pad te frequent en het enkele toontje van te korte duur. Hieronder kan men de twee geluiden vergelijken.

Geluid vroedmeesterpad

Geluid dwergooruil

Voor wie nog meer van Ton Bruynèl wil horen is er een zeer mooie opname uit 2009 van VPRO Vrije Geluiden met de hoboïste Justine Gerretsen. Zij speelt ‘Soft songs’ voor hobo en soundtrack. (Sorry voor de reclame en de introductie).

Soft song

Op youtube is natuurlijk nog veel meer muziek van Ton Bruynèl te vinden.

In een werk van Louis Andriessen, worden geluiden uit de omgeving nagebootst door traditionele instrumenten, zoals in het begin van De Materie waarin er wel 144 mokerslagen te horen zijn, een geluid uit een Hollandse scheepswerf uit de 17de eeuw. In dit fragment kan het indrukwekkende geluid gehoord worden.

Het volgende en laatste voorbeeld is van een heel andere klasse, maar zeker het noemen waard. Björk zingt in de film Dancer in the Dark van Lars von Trier waarbij door de hele film de muziek gebaseerd is op geluiden uit de omgeving van machines, het schrapen van potlood op papier en, zoals in dit laatste fragment, het bonkende geluid van de trein op de voegen tussen de rails.

I’ve seen it all gezongen door Björk  uit de film Dancer in the dark:

de toon zetten

Echte muziek dus?
Echte muziek!
En wat mag dat dan wel zijn?

Laat ik een poging tot definitie geven – niet noodzakelijk sluitend, en absoluut niet bindend.

Wanneer een creatieveling een aantal noten aan papier toevertrouwd, met de bedoeling dat die noten tot tonen getransformeerd worden, en er is een ander – mag de opschrijver zijn in de gedaante van lezer – die al lezende hoort wat de bedoeling is – er zijn er genoeg die een partituur kunnen lezen en de muziek dan horen – dan zijn we al een heel eind. Wanneer die muziek dan ook nog uitgevoerd gaat worden, zodat die tonen zich gaan manifesteren als een verzameling van tonen, als een eenheid, hebben we een fenomeen. Een fenomeen dat we ook wel muziekstuk noemen. Of muziekuitvoering. Als het stuk dan ook nog fenomenaal genoemd wordt, gaat dat stuk repertoire houden.
Dat is dan echte muziek.

Dus, als een slagersjongen een deuntje fluit is dat geen echte muziek?
Nee, maar als Messiaen al fluitend terugkeert van zijn bezoek aan de vogels in het bos, en dat wat hij gefloten heeft opschrijft … ja, dat wordt echte muziek.

Over die echte muziek zal het hier gaan.

Met die tonen is iets raars aan de hand.
Als je een toon hoort, hoor je meerdere tonen tegelijk, zonder dat je je daarvan bewust bent – de meesten van ons. Dat noemen we boventonen.
Die tonen zitten gevangen in een toonstelsel – waar eigenlijk, relatief gesproken, ten opzichte van de hoeveelheid muziek, nog geen toon aan ontsnapt is.

over tonen en boventonen
Als we het over tonen hebben komen we in the art of noise terecht. Tonen ontstaan doordat lichamen trillen en die trilling meedelen aan een medium, lucht, waardoor die lucht gaat trillen waarvoor ons oor weer heel gevoelig is. Ons oor kan onderscheid maken tussen het regelmatig trillen van de lucht – is een toon – en het onregelmatig trillen – is geruis. The art of noise zou je dan kunnen zien als de samenwerking tussen bouwers van instrumenten en bespelers van instrumenten: een instrument wordt zodanig gebouwd en bespeeld dat het een regelmatig trillen van de lucht tot stand brengt, en al doende aangename tonen produceert. Maar er kunnen ook instrumenten gebouwd worden die een regelmatig onregelmatig geluid produceren: het geruis van het slaginstrument. Niet altijd even aangenaam, maar wel opzwepend.

Let wel, vliegtuigen, een spoorweg of een autoweg, hoogspanningskabels, de drones van Obama niet te vergeten, en ook steden geven een eigen geruis af. (Er schijnen mensen te zijn die aan het geruis, of gedruis, kunnen vertellen in welke stad ze lopen.) We zijn dan aanbeland bij de futurist Luigi Russolo en zijn manifesto l’ Arte dei Rumori. Nou ja, il futurista hoort geen rumori meer, ook het proces van decomposing is al lang afgelopen.

Bij regelmatige tonen openbaart zich een prachtig fenomeen: de boventoon. Als wij een toon horen, horen we niet alleen de basistoon, maar herkennen we de oorsprong van de toon – welk instrument – aan de boventonen in dat geluid. Dat heet dan de klankkleur. Die krijgt de bouwer van het instrument, en daarna de bespeler er van, gratis en voor niks bij. Je kan een mooie of een lelijke cello bouwen, een goede of een slechte, maar je zult altijd horen dat de bedoeling om een cello te bouwen ten grondslag lag aan de bouwidee. Je kunt nog zo’n slechte cello bouwen, hij zal niet naar een trompet gaan rieken – hooguit kan die een sterk verlangen naar blaasmuziek oproepen, vanwege de slechte kwaliteit van het strijkinstrument.

over toonstelsels
Tonen kunnen een heel zelfstandig leven leiden. Luister naar het schrille fluiten van een oude locomotief in een western.
Maar, niet zodra is er sprake van muziek, of de toon is gevangen gezet tussen andere tonen. In consonanten en dissonanten – al zijn er wel minder dissonanten dan vroeger, die zijn consonant geworden.
Het moet harmonisch samen gaan, zoals dat heet.
Let wel, hier wordt harmonisch niet bedoeld in de zin van lieflijk. Harmonisch geldt hier als: volgens de regelen der kunst van het opeenvolgen van samenklanken.
Ja, daar zijn regels voor!
Als de tonica de basis genoemd mag worden van een muziekstuk, dan zijn er maar twee bewegingen mogelijk: richting de tonica, is richting het rustpunt, en van de tonica vandaan: dit maakt de stuwing van de melodie zichtbaar.
Veel luisteraars – de meeste? – houden er van om regelmatig terug te keren tot de tonica. Volgens Martin van Amerongen was dat de basishouding van popmuziek, en daarom was popmuziek naar zijn mening geen muziek.
Volgens een oude meester, Sem Dresden, waaraan ik mij nu schatplichtig maak, is het niet fraai, telkens terug te keren tot de tonica – onze Martin zou dus gelijk gehad kunnen hebben.

Het begrip tonica – en onderdominant, én dominant – zijn begrippen die in die opvatting van muziek en harmonie een belangrijke rol spelen.
Er zijn knappe koppen die denken dat deze regels te maken hebben met de boventonen die wij horen. Echter, ik ben nu zeer westers bezig, en er zijn oosterse muzieksystemen met heel andere toonstelsels, terwijl die mensen toch dezelfde boventonen hoorden.

Maar ook in de westerse muziek is men daar anders over gaan denken. En zo kregen we atonaliteit, en het twaalftoonsysteem van Arnold Schönberg, of de toonklok van Peter Schat. En er zijn ook wel halve secondes uitgevonden … maar het merendeel van de westerse oren luistert toch het liefst naar de bekende toonladders en de harmonieën die daarop gebaseerd zijn … en wil ademhalen bij rustpunten.

Toch, het gehamer op de scheepswerf, of de symmetrie van een kathedraal, of het Plakkaat van Verlatinge – ik ben nu in DE MATERIE van Louis Andriessen beland … het kan allemaal als muziek in de oren klinken.

Wat als muziek in de oren klinkt: dat moet hier aan de orde komen.

Ten slotte, nog even over rustpunten gesproken.

Ik heb de première bij mogen wonen van Louis Andriessen’s De Materie, Holland Festival 1989. Dat bestaat uit vier delen. Na ieder deel mocht de luisteraar/kijker even tot rust komen.

Ik heb hier op cd een werk van Luigi Nono, il canto sospeso, over en voor de slachtoffers van het barbaarse Naziregime. Dat werk kent geen rustpunt, en zal ook nooit rustpunten kennen.
Haunting music, zou je kunnen zeggen.

Heeft moderne muziek geen rustpunt meer?
Celliste Doris Hochscheid speelt, met Frans Ruth veel modern werk. Op haar site staat de uitvoering van een stuk(je) van Louis Andriessen.
Duurt 2.13 … en zit boordevol rustpunten.


boordevol rustpunten

Zelf heb ik een stuk geschreven. Het begint in As groot en gaat via g klein naar G groot.
Eigenlijk is het slotakkoord het enige akkoord dat in G-groot staat. Toch is het een duidelijk rustpunt.
Ik heb het gedoopt: de stilte ligt verlaten aan het strand.

Dat soort rustpunten, en vooral die stilte, zijn op dit blog taboe.

Het moet lawaai maken.